De EU vecht samen met u tegen discriminatie op het werk
De Europese Unie heeft een wet gemaakt tegen discriminatie op het werk. Deze wet heet de “Richtlijn Gelijke behandeling in arbeid”. De wet zegt dat discriminatie in arbeid, beroep en beroepsopleiding niet is toegestaan.
De wet gaat over directe discriminatie, indirecte discriminatie en intimidatie van personen met een handicap.
De “Richtlijn Gelijke behandeling in arbeid” zegt dat iedereen recht heeft op bescherming tegen discriminatie.
Het is eigenlijk positief dat sommige lidstaten bij de omzetting van de Richtlijn verder zijn gegaan dan de minimumnormen die in de communautaire wetgeving zijn beschreven. Ze hebben bijvoorbeeld ook discriminatie op grond van een handicap buiten het werk verboden of hebben het recht op redelijke aanpassingen uitgebreid tot andere basisaspecten van het dagelijks leven, zoals het openbaar vervoer.
Helaas is dit echter niet de regel. De deadline voor de omzetting van de Richtlijn in nationaal recht is voor bijna alle lidstaten al verstreken, maar de grote meerderheid van de lidstaten neemt met vertraging wetgeving aan die de Richtlijn slecht ten uitvoer legt.
Veel landen hebben zelfs nog geen implementerende wetsvoorstellen opgesteld, en in de landen waar wel zulke implementerende wetgeving bestaat, vinden we vaak verordeningen die ofwel te vaag zijn (dit is voornamelijk het geval voor het recht op redelijke aanpassingen), ofwel te veel lijken op de tekst van de Richtlijn, met als gevolg dat de resulterende bepalingen (van landen zoals Italië of Luxemburg) zo algemeen zijn dat ze in specifieke gevallen heel moeilijk toe te passen zullen zijn.
Aan de manier waarop ze het begrip “handicap” in hun wetten definiëren, zien we dat te veel landen restrictieve, medische benaderingen van het begrip hanteren. In de meeste gevallen staan de landen nog steeds tamelijk gereserveerd tegenover het aannemen van het sociale model, en dit heeft niet alleen gevolgen voor de definitie van het begrip “handicap” zelf, maar ook voor de manier waarop ze het vraagstuk van discriminatie als geheel benaderen. België komt bijvoorbeeld met te veel uitzonderingen op het verbod op directe discriminatie, terwijl het Verenigd Koninkrijk indirecte discriminatie niet eens expliciet noemt. Bijna alle landen sluiten beschermde werkgelegenheid uit van de werkingssfeer van de Richtlijn, en in sommige gevallen worden selectieprocedures niet afdoende bestreken. “Redelijke aanpassingen” wordt bijvoorbeeld doorgaans gedefinieerd als in de tekst van de Richtlijn, maar er zijn weer heel weinig landen die voorzien in nationale regelingen om dit recht in de praktijk mogelijk te maken. Verdere uitwerking is ook nodig voor het beginsel van de omgekeerde bewijslast, dat alleen België serieus lijkt te hebben genomen. Een tamelijk kritisch aspect van de tenuitvoerlegging betreft de regeling van de verdediging van rechten. Slechts in heel weinig gevallen hebben gehandicaptenorganisaties het recht om personen met een handicap voor een rechtbank te vertegenwoordigen, en speciaal personen met een leerstoornis worden benadeeld door dit gebrek aan naleving van artikel 9, lid 2, van de Richtlijn. Tot slot moet ook worden opgemerkt dat de bepalingen met betrekking tot de verplichting van de staat om toegankelijke informatie te verspreiden of om de sociale dialoog te bevorderen nauwelijks ten uitvoer worden gelegd.
Over het algemeen gesproken bestrijken de huidige anti-discriminatiewetten niet alle personen die worden gediscrimineerd of gevaar lopen te worden gediscrimineerd op grond van een handicap. Deze vorm van discriminatie kan ook zijn gebaseerd op eerdere, toekomstige of veronderstelde handicaps. Mensen hebben daarnaast ook te maken met discriminatie omdat ze een familielid met een handicap hebben. We zijn van mening dat de implementerende wetgeving al deze groepen individuen in haar beschermende werkingssfeer moet opnemen.
Meer informatie op www.inclusion-europe.org.